Hoe wist Joris Ivens zich vanaf 1924 zo snel een weg te banen in de Amsterdamse avant-garde en daar een van de voortrekkers van te worden? Eén verklaring is dat hij na terugkeer van zijn opleiding in Duitsland en een tussenstop in Nijmegen zich vestigde in een ruimte in Amstel 190. Dankzij unieke foto’s uit het familiearchief van Jopie Frank, kleinzoon van Henri Groen, toentertijd eigenaar van Amstel 190, weten we iets meer over het reilen en zeilen.

Huize Groen, Amstel 190 (rechts), 1954. Foto Amsterdams Stadsarchief. Harmen Meurs, Binnenamstel met Halvemaansbrug, 1930. Part. coll.
Huize Groen en het Huis van de Joodse Feesten
Het monumentale 18e eeuwse pand in de bocht van de Amstel bij de Blauwbrug met de kenmerkende statige dubbele trap naar de voordeur, bestaat nog steeds en kijkt uit op de Stopera. Toen Ivens er als jonge adjunct-directeur van zijn vaders’ fotozaak in de Kalverstraat -op loopafstand- kwam te wonen keek hij nog uit op de levendige Jodenbuurt aan de overkant. Het leek ondernemer Henri Groen in 1923 daarom een geschikte locatie en pand om de onderste twee verdiepingen met de hoge ramen en grote zalen te verhuren voor specifiek Joodse feesten, bruiloften, jubilea en andere bijeenkomsten. Hij doopte het pand Huize Groen, maar ook het Huis van de Joodse Feesten.

Huwelijksfoto Sientje Groen-Velleman en Henri Groen in 1913, Düsseldorf. Coll. Jopie Frank.
Een bolwerk van de avant-garde
De bovenste verdiepingen verhuurde Groen aan een kring van kunstenaars, waarin Ivens zich al snel thuis voelde. Eind 1925 kwam de avant-garde fotografe Germaine Krull, waarmee hij twee jaar eerder in Berlijn een liefdesrelatie was begonnen, bij hem wonen. Gefascineerd door de vele experimenten in Berlijn hoopten zij in Amsterdam geestverwanten te vinden. Kenmerkend voor de vernieuwers was het samenwerken van de oude en nieuwe kunstdisciplines: naast literatuur, dichtkunst, muziek, dans, schilderkunst en beeldhouwkunst, ook fotografie en film. Deze waren alle vertegenwoordigd in Huize Groen. Tot de huurders behoorden beeldhouwer Jan Havermans en zijn vriendin en latere vrouw Wiep Blijstra, bevriend met de dichter Hendrik Marsman, moderne danseres Florrie Rodrigo, schrijver en SDAP-raadslid Cees den Dood, en helemaal boven schilder Harmen Meurs, een spilfiguur in het culturele wereldje van de hoofdstad, die zijn atelier deelde met zijn tweede vrouw Dicky Zeevat. Met zijn realistische schilderstijl gaf hij les aan o.a. de uit Friesland afkomstige Anneke van der Feer. Ivens heeft haar daar voor het eerst ontmoet, het begin van een ongebonden liefdesrelatie, die zou duren tot haar dood in 1956. De kunst avant-garde beperkte zich niet tot vernieuwingen in de kunst, maar ook in experimenten van nieuwe relatievormen, zoals blijkt uit de driehoeksrelatie van Ivens met Krull en Van der Feer. Meurs schildert een portret van Wiep Havermans-Blijstra, het eerste van zijn hand in de uit Duitsland overgewaaide stijl van de Nieuwe Zakelijkheid. Germaine Krull maakte dan weer foto’s van de eigentijds geklede Wiep, een zelfbewuste vrouw met modern jongensachtig kapsel, lijntje boven de ogen en rood gestifte lippen. Anneke van der Feer schildert er het oudst bewaard gebleven werk van haar hand, een portret van haar vriendin Dicky Zeevat. Bij elkaar vormde Huize Groen een broedplaats van de Amsterdamse avant-garde. Het was slechts een steeg verwijderd van de café’s van het Leidseplein, waar Ivens bevriend raakte met Charley Toorop, Mannus Franken, Hendrik Marsman en Jan Slauerhoff.

Kunstenaars die in Amstel 190 woonden of werkten: v.l.n.r.: Jan Havermans, Germaine Krull, Florrie Rodrigo, Joris Ivens (met Hendrik Marsman), Anneke van der Feer, Harmen Meurs.
Harmen Meurs en Germaine Krull (2x), Portret Wiep Havermans-Blijstra, 1924-27 (SM, Amsterdam) ; Anneke van der Feer, Portret Dicky Zeevat, 1925 (part. coll.).
Henri Groen en Joris Ivens
Van zijn grootvader Henri Groen (Den Haag, 4 september 1886) en diens vrouw Sientje Velleman (Haarlem, 15 juni 1886) weet Jopie Frank nog maar weinig. Hij heeft ze nooit gekend en er is weinig bewaard gebleven. In de oorlog zijn beide opgepakt en eind 1942 en begin 1943 in Auschwitz gedood. Zijn moeder overleefde de oorlog. Jopie Frank wilde graag weten of Joris Ivens zijn grootouders heeft gekend. Dat blijkt het geval, in zijn eerste biografie The Camera and I (1969) schrijft Ivens er nauwelijks over, maar in zijn tweede, getiteld Aan welke kant en in welk heelal (1982), geeft hij een levendige beschrijving van zijn tijd in Amstel 190. Het geeft een mooi beeld van hoe Ivens de avant-garde omarmde en welke rol Huize Groen daarin speelde. Twee werelden omarmden elkaar.

Jubileumfoto in een zaal van Huize Groen met rechts naast de jubilaris Henri Groen en Sientje Groen-Velleman. Coll. Jopie Frank.
Joris Ivens over Henri Groen en Huize Groen
“Ik kende Amsterdam slecht. Als student was ik er een paar maal geweest maar ik had er nooit langere tijd doorgebracht. Samen met Germaine ontdekte ik opnieuw deze waterstad, waar ieder huis is gebouwd op palen die in de modder worden geheid. We huurden een atelierruimte aan de Amstel. Het was een wonderlijke en niet van schoonheid ontblote plek. ‘s Avonds gingen we naar de cafés aan het Leidseplein. Ik ontmoette daar Marsman, Mannus Franken en Slauerhoff en dit werden mijn vrienden. Zij praatten over Parijs en ik praatte met hen over Berlijn. We vergeleken onze ervaringen en vanzelfsprekend stond de film centraal in onze gesprekken. Het was de kunst bij uitstek. Het was een nieuwe vorm van kunst, het was een totale vorm van kunst. In haar eentje had deze kunst alles wat onze hartstocht wekte en ze bezat een emotionele kracht die alles wat we tot dan toe hadden leren kennen verre overtrof.
Als ik met Germaine naar huis terugging was het al ochtend. We liepen over de laatste brug. Op het water van de gracht lieten de slapende eenden zich op de stroom meedrijven. Vanuit het Maanhuis in de Nijmeegse heuvels waren we pardoes beland in de bohèmewereld van het huis van meneer Groen aan de Amstel. Het huis zat vol kunstenaars. Tegenover onze ruimte woonde een beeldhouwer, daarboven een danseres en onder het dak een schilder. Alleen de begane grond en de eerste verdieping bleven het privé-domein van onze huisbaas, dat door meneer Groen met een pompeuze benaming werd aangeduid als het Huis van de Joodse Feesten.
Meneer Groen was een kleine, levendige en geslepen burgerman en aangezien hij me mijn woning voor een verhoudingsgewijs bescheiden bedrag verhuurde werden we door de omstandigheden nader tot elkaar gebracht en speelde ik van tijd tot tijd voor zijn sjabes goj.* De joodse families kwamen er aan huis om hun feesten te vieren, geboortefeesten of huwelijken, en meneer Groen, die oog had voor het belang van conventies, had ze in twee categorieën ingedeeld: de plechtigheden eerste klasse en de plechtigheden tweede klasse. De eerstgenoemde konden recht doen gelden op de grote salon op de begane grond met zijn erebordes, het schitterende scharlaken tapijt en enkele andere voornaamheden, terwijl de plechtigheden tweede klasse zich tevreden moesten stellen met de eerste verdieping, die bescheidener was, en die men bereikte via een trap die even steil en smal was als welke andere Amsterdamse trap ook. Alleen de palmen in potten en de groene planten vielen onder beide categorieën plechtigheden.
Wanneer er mensen kwamen en meneer Groen een helpende hand nodig had, riep hij een van zijn huurders te hulp en een tijdlang was ik een van zijn uitverkoren assistenten. Ik stak de lichten aan, ik verhuisde de stoelen en, op de dagen dat de rijken de voetstappen van de minder rijken kwamen drukken, verhuisde ik de palmen van de ene verdieping naar de andere.
Buiten deze koortsachtige uren had meneer Groen de tijd om na te denken. Hij klaagde dikwijls. De joodse feesten kwamen weinig voor, te weinig als men het hem vroeg, en door de week verveelden de palmen zich dood. Door al dit geklaag en gezoek hoe hij zijn kapitaal vruchtdragend kon maken kreeg onze huisbaas uiteindelijk een idee.
Op een morgen roept hij me en zegt:
‘Meneer Ivens, ik heb zojuist een schitterend idee gekregen en ik geloof dat u me daarbij kunt helpen.’
‘Vertelt u eens.’
‘Ik heb hier salons die ‘s nachts nooit gebruikt worden. Ik heb besloten een sociëteit te beginnen voor de kelners en barkeepers van de Amsterdamse cafés. Die mensen weten nooit waar ze heen moeten als hun werk er op zit. Deze plek is ideaal, vindt u ook niet?’
‘Ehh,’ zeg ik, ‘ja, natuurlijk, maar hoe kan ik u daarbij helpen?’
‘Meneer Ivens, ik heb een vergunning nodig. Zonder vergunning kan ik geen club openen en ik weet dat uw broer de burgemeester goed kent, dus ik had gedacht dat u hem zou kunnen vragen te bemiddelen; ik zou u heel erkentelijk zijn.’
Ik vond het een nogal wonderlijk idee: overdag de joodse feesten en ‘s nachts de barkeepers, maar ik sprak er met mijn broer over en de vergunning werd toegekend. Met ingang van die dag stond de sociëteit voor Amsterdamse kelners en barkeepers permanent voor me open. Ik liet deze kans niet voorbijgaan, het was een aangename gelegenheid, de slapeloze nachten joegen me geen angst aan en de barkeepers waren een slag mensen waarmee je gemakkelijk contact legde. Al heel gauw was ik de man die alle barkeepers van Amsterdam kende. In diezelfde tijd dreef het toeval, dat zoveel dingen in mijn leven bewerkstelligt, me voortdurend verder de kant van de film op. Ik stond op het punt mijn eerste film te maken, of in ieder geval een eerste poging te wagen, en mijn loopbaan ging van start in een bar, in de weinig aanbevelenswaardige bar van de zeer eerbiedwaardige juffrouw Heyens.”
* Een Sjabbesgoj (of Shabbos goy) is een niet-Jood die door orthodoxe Joden wordt ingehuurd om taken uit te voeren die volgens de Joodse wet verboden zijn op de sjabbat (de wekelijkse rustdag).